< Terug

Proloog

Een barkoude zondagochtend. Een ijzige wind waait het station binnen, botst tegen de buitenmuren en keert langs de perrons terug. De trein, een locomotief met slechts twee wagons, staat klaar op spoor zes. Terwijl de conducteur de rijtuigen inspecteert, stappen trosjes reizigers van onder de luifels en vanuit de twee ingangen van het kopstation naar de trein toe. Hun tred is weinig vastberaden, weifelend. Een oudere man kijkt met toegeknepen ogen of hij zich wel op het goede platform bevindt. Een blonde studente vraagt de conducteur of dit de juiste is, waarop hij knikt. Dit zijn ze: de reizigers van de trein.

Er is geen fanfare. Ook geen rood tapijt of doorknipbare lintjes. Alles is op een vroege zondag gepland. Een trein die vertrekt, meer is het niet. Want het had eigenlijk allemaal niet mogen gebeuren. Alleen de aanwezigheid van journalisten verraadt dat er meer aan de hand is. Verkleumd van de kou staan ze met microfoons en notitieboekjes klaar, om aan de reizigers te vragen wat dit voor hen betekent. Hoe voelt het om op te stappen? Naar waar reist u? Zal u met andere passagiers praten? Banale vragen, zou je zeggen. Maar niet op deze ochtend.

Om 8.15 uur klinkt een schril fluitsignaal. De seinman, in blauw pak, kepie nonchalant op de kruin, steekt een wit bordje omhoog. De machinist die uit het raam van zijn locomotief hangt, zwaait. De trein schiet met een schok vooruit, gaat eerst traag, geraakt dan in een ritme en rijdt de verte tegemoet. Het geluid sterft, je kan de wind weer horen wervelen.Weg is een gewone trein met gewone reizigers op een ongewone reis.

Joegoslavië was een treinland. Langs de eindeloze velden, over stroompjes en rivieren, door de dalen van bergpieken en door groene wouden kronkelde een netwerk van sporen waar dagelijks talrijke binnenlandse en buitenlandse treinen over heen denderden. De trein was modern en ging vlot vooruit, net als het land waar hij doorheen reisde. De socialistische republiek Joegoslavië ontstond meteen na de Tweede Wereldoorlog op de westelijke Balkan en was een federatie van zes deelstaten: Slovenië, Kroatië, Servië, Montenegro, Bosnië-Herzegovina en Macedonië. Het was een eigenzinnige communistische staat met aan het hoofd de charismatische Josip Broz Tito, voormalig partizanenleider. Verschillende etnische groepen woonden kriskras door elkaar: Serviërs, Kroaten, moslims, Albanezen, Slovenen,… Ondanks conflicten in de Tweede Wereldoorlog liet president Tito de verschillende volkeren onder het motto ‘broederschap en eenheid’ vreedzaam samenleven.

De trein speelde daarbij een rol. Hij verbond dorpen, steden, mensen. De coupé, het perron, het station: het waren plekken waar de Joegoslaven elkaar ontmoetten. Het land industrialiseerde en verstedelijkte razendsnel, en onder toezicht van de spoorwegmaatschappij Jugoslovenske železnice (JŽ) schoot een gans treinnetwerk uit de grond. Sporen werden aangelegd, stations gebouwd, nieuwe rijtuigen ingezet. Er waren connecties tussen Ljubljana, Zagreb, Belgrado, Sarajevo en Skopje, maar ook met kleinere steden en nietige dorpen. Burgers maakten volop gebruik van de trein. In 1988 waren er 116 miljoen reizigers.

De lijn Belgrado-Sarajevo was een van de drukste verbindingen. Belgrado was de hoofdstad en dus het centrum van de politieke en economische macht. Sarajevo was vooral het culturele hart en een Joegoslavië in het klein: meerdere religies en etnieën – vooral moslims, Serviërs en Kroaten – leefden naast elkaar. Drie keer per dag reed een trein van Belgrado naar Sarajevo, en evenveel keer andersom. Mensen namen hem om te gaan werken, vrienden en familie te bezoeken, op vakantie te gaan, of om te gaan skiën in de bergen van Bosnië. Zakenmensen, studenten en militairen van het Joegoslavische leger zaten door elkaar. De rit duurde zes uur en reed zonder grenscontroles door de vruchtbare Vojvodinaprovincie in noordelijk Servië, door het Kroatische Oost-Slavonië, dan zuidelijk door het binnenland van Bosnië. Het konvooi bestond uit een restauratiewagen en tien tot vijftien comfortabele wagons, waar hostesses door de gangen liepen. Via een schuifdeur kwam je terecht in zitcompartimenten met pluchen beklede zetels, een klein tafeltje bij het raam en gordijntjes aan de deur en het venster.

Na de dood van Tito in 1980 ontstonden politiek-economische spanningen tussen de deelrepublieken en vielen de elites in hun streven naar macht terug op agressief nationalisme en mediapropaganda. De intercity Belgrado-Sarajevo spoorde nog, maar bevond zich nu in een groeiend spanningsveld. De grenzen die hij over moest, werden steeds hoger en de multiculturele symboliek raakte overstemd door de cadans van ronkend nationalisme.

Het land ontspoorde. De Joegoslavische staat viel uiteen en in 1991 brak een burgeroorlog uit in Kroatië, tussen Kroaten en de Servische minderheid daar, en vervolgens in Bosnië, tussen Bosnische Serviërs, Kroaten en moslims. Dit ging gepaard met etnische zuiveringen, massamoord, verkrachtingen, vluchtelingenstromen en tienduizenden doden.

De treinen vielen stil. Wagons stonden kapotgeschoten langs de kant. De rails markeerden frontlinies en mijnenvelden. Het station van Sarajevo werd in de jarenlange belegering van de stad zwaar beschadigd. De dagelijkse stroom van reizigers maakte plaats voor vluchtelingen, gewonden en soldaten. De klok bleef stilstaan op 1.15 uur.

De oorlog werd in 1995 beëindigd met het Daytonvredesakkoord. Op dat moment was Joegoslavië definitief uiteengevallen in vijf onafhankelijke staten: Slovenië, Kroatië, Servië-Montenegro, Macedonië en Bosnië-Herzegovina. De Joegoslavische Spoorwegmaatschappij kreeg nationale erfgenamen. Bosnië werd verder opgesplitst in twee deelstaten: de Servische Republiek (Republika Srpska) van de Bosnische Serviërs en de Federatie van Moslims en Kroaten. Met elk ook een eigen spoormaatschappij.

Het spoor tussen Belgrado en Sarajevo werd vrij vlug hersteld, maar voor een heropening van de rechtstreekse trein was het te vroeg. De wonden waren nog vers. Je kon tussen beide steden reizen, alleen moest je verschillende malen overstappen. Pas vele jaren later, in 2009, werd de lijn officieel heropend. Op 13 december, een vroege zondag, trok de intercity zich weer op gang uit het oude station van Belgrado. Voor het eerst in achttien jaar was het mogelijk om direct van de Servische naar de Bosnische hoofdstad te reizen, en omgekeerd.

In plaats van drie keer rijdt de trein nu eenmaal per dag in beide richtingen. De meer dan tien wagons zijn ingewisseld voor één restauratiewagen en twee passagiersrijtuigen. Vroeger was het een indrukwekkend lint, een verschuivende muur, vandaag een lange stadsbus. En terwijl de trein ooit door dat moderne en multiculturele Joegoslavië reed, kronkelt hij vandaag door vroegere oorlogszones en frontlinies en voorbij plaatsen die herinneren aan belegeringen en etnische zuiveringen. De trein rijdt in gebied waar de oorlog enorm hevig heeft gewoed. Langs het spoor staan stille getuigen: verwoeste gebouwen, muren vol kogelgaten, heropgebouwde huizen.

De rit gaat niet meer door één land, maar door drie verschillende: Servië, Kroatië en Bosnië. Dat alles nog steeds gevoelig ligt, blijkt uit het bureaucratische en irrationele karakter van de herstelde verbinding. Eén treinstel, de restauratiewagen, wordt geleverd door de Servische spoorwegen, één passagierswagon komt van de spoormaatschappij van de Bosnische Republika Srpska, de andere van de Federatie van moslims en Kroaten. Een Servische locomotief rijdt tot de Kroatische grens, waar de Kroaten het overnemen tot aan de grens met Bosnië. Daar hangt de Republika Srpska, de eerste deelstaat in Bosnië, haar motor aan de wagons. Midden in Bosnië, in Doboj, op de overgang naar de Federatie, wordt er een locomotief van de Kroaten en moslims aangekoppeld. Die rijdt tot de eindhalte, Sarajevo. Roken op de trein mag in Servië en Bosnië, maar is strafbaar in Kroatië. Telkens komen nieuwe conducteurs de trein op. De grenspolitie voert paspoortcontroles uit als je uit Servië weggaat, in Kroatië komt, eventjes later weer uit Kroatië vertrekt en dan Bosnië binnentreedt. Het gevolg: de reis duurt vandaag geen zes maar negen uur. Een achteruitgang in een tijd van snelheid en uniformisering.

En toch is de heropening van de trein het hoopvolle teken van een normalisering in de relaties tussen de voormalige vijanden. Een teken dat de landen gaan samenwerken, hoe tergend traag en moeilijk dat ook op gang komt. De trein zelf verbindt steden, landen en mensen over grenzen heen en kan samen met andere initiatieven een rol spelen in de terugkeer van duurzame vrede.

Ik reis langs de spoorlijn, vijftien jaar na het einde van de oorlog, en kijk wat er toen is gebeurd en wat er sindsdien is veranderd. Leven de mensen weer samen? Zijn de factoren die tot oorlog hebben geleid verdwenen?

Het is, met wat toeval, een ideaal tijdstip om die vragen te stellen. De landen kloppen op de poort van Europa. Kroatië wordt lid in 2013, Servië wordt kandidaat- lidstaat, Bosnië wil graag maar kan nog niet. Onlangs werden de laatste gezochte oorlogsmisdadigers gevat, Ratko Mladic en Goran Hadzic. Zestien jaar waren ze mysterieus onvindbaar, maar net tijdens het schrijven van dit boek werden ze gevonden. Nu alle arrestaties zijn verricht, is het een kwestie van tijd vooraleer het Joegoslaviëtribunaal in Den Haag de deuren sluit. Definitief, hopen we.

Mijn verhaal begint bij het begin van de spoorlijn: Belgrado. Daarna bezoek ik plaatsen waar de sporen doorheen lopen, ik reis in dit geval met trein 451. Die bepaalt waar ik kom, ik bepaal waar ik uitstap. De 451 is mijn belangrijkste vervoersmiddel en de rode draad. Maar ik wijk ook enkele keren af van het traject om naar plaatsen in de buurt te gaan die een belangrijke rol speelden in de recente geschiedenis. De reis brengt me uiteindelijk in Belgrado, Stara Pazova, Novi Sad, Ruma (Servië), Vinkovci, Vukovar, Osijek (Kroatië), Doboj, Tuzla, Zenica en Travnik, om te eindigen in Sarajevo (Bosnië).

Onderweg praat ik met mensen in de trein, in de stations en in de dorpen en steden. Ik ontmoet de voormalige Kroatische president Stjepan Mesic, de kleindochter van Tito, de oud-adviseur van Milosevic, familie van Gavrilo Princip die in Sarajevo de Eerste Wereldoorlog op gang schoot. Ik spreek met politici, journalisten, ngo’s, ex-soldaten, religieuze leiders. Maar ook met Zoran die een kerk bouwde omdat hij de oorlog overleefde, met de jonge Bosnische vluchteling Mladenko, de voetballende imam van Doboj, de verkoper van Mladickalenders en de directrices van een gesegregeerd kinderdagverblijf in Vukovar.

We hebben het over Tito’s Joegoslavië, de ondergang ervan, de oorlog in de jaren negentig en over vandaag, straks en later. Over een trein, over sporen van verzoening, blijvende vijanden en hernieuwde vriendschappen.

< Terug

Advertenties